Genetica.webwetenschap.nl

Alles over genetica

Mutaties

 

Een mutageen is een chemisch of fysisch agens dat een wisselwerking heeft met DNA en een mutatie veroorzaakt. Een mutatie is een verandering in de nucleotidevolgorde van het DNA in een organisme een mutatie kan uiteindelijk leiden tot genetische diversiteit. Puntmutatie is een mutatie die zorgt voor een  verandering in een gen bij een enkel nucleotidepaar. Basenpaarsubstitutie is een soort puntmutatie waarbij de vervanging van een nucleotide en in de complementaire DNA-streng liggende partner door een ander paar nucleotiden. Missense-mutatie is een basenpaarsubstitutie die resulteert in een codon dat door de missense-mutatie een ander aminozuur codeert. Een nonssense-mutatie is een mutatie waarbij een aminozuurcodon verandert in een van de drie stopcodons, wat resulteert in een korter en doorgaans niet werkend eiwit. Een insertie is een mutatie waarbij de toevoeging van een of meer nucleotideparen aan een gen betrokken is. Een deletie is een mutatie waardoor het verlies van een of meer nucleotideparen optreed bij een gen. Een frameshift mutatie is een mutatie die plaatsvindt als het aantal nucleotiden dat ingevoegd of verwijderd wordt geen meervoud is van drie, met als gevolg dat de opvolgende nucleotiden niet op de juist wijze in codons gegroepeerd zijn.

Ribosomen en Peptiden.

Een polyribosoom is een groep van meerdere ribosomen die gehecht zijn aan hetzelfde mRNA-molecuul en het ook vertalen.

 

Een signaalpeptide is een reeks van ongeveer 20 aminozuren aan of bij het leidende amino-eind van een polypetide. Een signaalpeptide geeft aan of het doel van het polypeptide het endoplasmatisch reticulum is of andere organellen. Een signaalherkenningsdeeltje is een eiwit-RNA-complex dat een signaalpeptide herkent als het uit het ribosoom tevoorschijn komt het signaal herkenningsdeeltje helpt het ribosoom naar het endoplasmatische reticulum door te binden aan een receptor eiwit.

Transcriptie in de genetica.

 

Een transcriptie eenheid is een gebied in het DNA dat getranscribeerd wordt naar een RNA-molecuul. Een transcriptie factor is een regulerend eiwit dat aan DNA bindt en de transcriptie van bepaalde genen beïnvloedt. Een transcriptie initiatie complex is het complete samenstel van transcriptiefactoren en RNA-polymerasen dat aan een promotor gebonden is.

Ribosomaal RNA(rRNA)

 

Ribosomaal RNA is het meest voorkomende type RNA. Ribosomaal RNA vormt samen met eiwitten de ribosomen.

Triplet code.

De Triplet code is een verzameling van drie nucleotiden lange woorden de triplet code omschrijft aminozuren voor polypeptideketens. Een Codon is een reeks van drie nucleotiden in het DNA of mRNA dat een bepaald aminozuur of eindsignaal omschrijft. Codons zijn de basiseenheden van de genetische code. Een Reading frame is een tripletgroepering van ribonucleotiden op een mRNA molecuul die gebruikt worden door de translatiemachine bij de polypeptidesynthese.

Een Promotor bestaat uit een specifieke nucleotidevolgorde in het DNA. Een promotor bindt zich aan een RNA-polymerase waardoor het zich op de juiste positie bevind om met de transcriptie te beginnen. Een TATA –box is een DNA-reeks bij eukaryote promotors die cruciaal is bij de vorming van het transcriptie initiatie proces. Een transcriptie initiatie complex is het complete samenstel van transcriptiefactoren en RNA-polymerasen dat aan een promotor gebonden is.

 

Een Terminator bestaat uit een nucleotide volgorde in het DNA dat het eind van het gen aangeeft. Een terminator geeft RNA polymerase het signaal om het nieuwe RNA molecuul los te laten en van het DNA af te gaan.

Transfer RNA(T-RNA)

Transfer RNA is een RNA-molecuul dat werkzaam is als een tolk tussen de nucleïnezuur-taal en de eiwit-taal. Dit gebeurd door specifieke eiwitten op te pikken en de bijbehorende codons in het mRNA te herkennen.

Een anticodon is een nucleotidetriplet aan een van de uiteinden van een tRNA-molecuul dat een bepaald complementair codon dat bij een mRNA molecuul hoort kan herkennen. Aminocyl-tRNA synthetase is een enzym dat elk aminozuur aan het juist tRNA bindt.

Een Wobbel beschrijft de Flexibiliteit in de baseparingsregels, waarbij de nucleotide aan het 5’-uiteinde van een tRNA-anticodon waterstofbruggen met meer dan een soort base van een 3’-uiteinde kan vormen.

 

Een P-Site is één van de drie plaatsen op een ribosoom waar tRNA zich bij de translatie aan bindt. De p-site houdt het tRNA dat de groeiende polypeptide keten draagt. Een A-site is een van de drie plaatsen op een ribosoom waar tRNA zich bij de translatie aan bindt. Het tRNA molecuul dat het volgende aminozuur aan de polypeptideketen draagt wordt aan A-site gebonden. E-Site is één van de drie plaatsen op een ribosoom waar tRNA zich bij de translatie aan bindt. De e-site is de plek waar leeg tRNA het ribosoom verlaat.

Genexpressie

Genexpressie is het proces waarmee DNA de synthese(aanmaak) van eiwitten stuurt. Een genexpressie kan in sommige gevallen ook alleen RNA aansturen. Transcriptie(kopieren) is de synthese van RNA met gebruik van een DNA sjabloon. Een Sjabloon streng is een DNA-streng die het patroon of het sjabloon levert voor de nucleotide volgorde in een RNA transcript. Het Messenger RNA Wordt gemaakt doormiddel van een DNA sjabloon. Waarna het zit in het cytoplasma bindt aan ribosomen. Het Messenger RNA specificeert hier de primaire structuur van een eiwit.

Translatie is de synthese van een polypeptide met gebruikmaking van genetische informatie die in een RNA molecuul gecodeerd ligt. Bij translatie veranderd de taal van nucleotiden naar Aminozuren.

 

Een primair transcript is Een startend RNA transcript, een primaire transcript wordt ook wel pre-mRNA genoemd als het wordt gekopieerd van een eiwit coderend gen.

RNA Processing

RNA processing is de verandering van RNA transcipts, inclusief splicing, het samenvoegen van exons en het veranderen van de ‘5- en ‘3- uiteinden. De staart van poly-a is een reeks van 50 tot 250 adeninenucleotiden die aan het ‘3 uiteinde van een pre-mRNA molecuul vastzitten.

Bij RNA- Splicing worden gedeelten introns verwijderd van het transcript dat na synthese van een eukaryotisch primair transcript niet in het mRNA zal komen.

Een intron is een niet coderende tussenliggende reeks. De intron ligt binnen een primair transcript Een intron wordt verwijderd uit het transcript bij RNA-processing. Een intron verwijst ook naar een deel van het DNA waarvan deze reeks geschreven is. Een exon is een sequentie binnen het primaire transcript dat in het RNA blijft bij RNA-processing. Een exon verwijst ook naar het deel van het DNA waarvan deze sequentie gekopieerd was.

Een spliceosoom is een groot complex dat is opgebouwd uit eiwitten en RNA-moleculen Een spliceosoom voert RNA-Splicing uit door een wisselwerking met de uiteinden van een RNA-intron. Het intron wordt hierbij losgekoppeld en de extrons worden gekoppeld.

Alternatieve RNA-splicing is een vorm van eukaryotische genregeling op het niveau van RNA-processing hierbij worden verschillende mRNA-moleculen van hetzelfde primaire transcript geproduceerd. Dit is afhankelijk van welke RNA-segmenten als exons worden behandeld en welke als introns worden behandeld.

 

Een domein is een onafhankelijk vouwend deel van een eiwit.

Boeken