Genetica.webwetenschap.nl

Alles over genetica

Stamboom

Een stamboom is een diagram van een familieboom die het voorkomen van erfelijke eigenschappen in ouders en nakomelingen over meerdere generaties toont.

Genetica en beroepen.

 

Genetische counselers zijn mensen in ziekenhuizen die, ouders die kinderen willen, informatie geven aan ouder die in een  familie leven die ook een geschiedenis heeft met een erfelijke ziekte. Een drager is een individu die heterozygoot is voor een bepaald genetisch loci, met een normaal en een recessief allel. De heterozygoot is fenotypisch dominant voor het kenmerk dat door het gen bepaald wordt maar kan het recessieve allel doorgeven aan het nageslacht. Er zijn tegenwoordig testen voor erfelijke ziekten die drager van het allel voor Tay-sachs, sikkelcel en de meest voorkomende vorm van cystic fibrose kunnen vinden. In ziekenhuizen kan een vruchtwaterpunctie gedaan worden vanaf de 14-16 week van de zwangerschap, hier kan worden gezien of een kind de erfelijke ziekte, tay-sachs heeft. Bij een vlokkentest brengt de dokter een dunne buis binnen door de baarmoedermond en haalt er een klein stukje placenta uit.

Overerving en het effect op het fenotype.

 

Bij polygenische overerving hebben genen een extra effect op een genotypisch kenmerk. De reactienorm is het bereik van fenotypes dat wordt voortgebracht door één enkel genotype. Dit genotype heeft te maken met de milieuomstandigheden. In dit milieu heeft dit genotype een selectief voordeel op andere genotypen. Een multifactoreel fenotype wordt beschreven als een  fenotypisch kenmerk dat beïnvloed word door meerdere genen en milieufactoren.

Chromosomen.

 


Een allel is een variant van een gen, elk allel heeft invloed op het fenotype. Als een organisme voor een bepaald gen twee gelijke allelen heeft, dan noemt men dit een homozygoot organisme. Als het twee verschillende allelen heeft, noemt men het organisme heterozygoot. Een heterozygoot organisme heeft twee verschillende allelen voor een kenmerk. Een homozygoot organisme heeft twee identieke allelen voor een kenmerk.

Genetische dominantie bij organismen.

Bij volledige dominantie zien de nakomelingen uit de F1 er altijd uit zoals 1 van de ouders. Dit komt omdat bij volledige dominantie 1 allel altijd volledig dominant is over het andere allel. Bij incomplete dominantie hebben nakomelingen een fenotype dat tussen het fenotype van beide ouders in zit. Bij co dominantie hebben de F1 nakomelingen twee allelen die allebeide een verschillend zichtbaar fenotype veroorzaken. Bij Pleiotropie hebben genen meerder effecten op het fenotype. Epistasie wil zeggen dat een gen de fenotypische expressie van een andere gen beïnvloed. Het gen dat wordt beïnvloed kan ook op een ander locus liggen. 

Kruisen en paren.

 


Zuivere rassen
zijn organismen die nageslacht voorbrengen van het zelf genotype. Een voorbeeld van zuivere rassen is zelfbestuiving van planten waarbij roze planten in de volgende generatie ook allemaal een roze nageslacht krijgen. Hybridisatie is het paren of kruisen van twee zuivere rassen, hierdoor ontstaat een nageslacht waarbij het genotype niet lijkt op het van de ouders. Ouders worden bij paring of kruisen de P-generatie genoemd. Het nageslacht van deze generatie wordt de F1- generatie genoemd. Het nageslacht van de F1-generatie noemen we de F2 generatie. Een punet diagram helpt bij het bepalen van het nageslacht van een organisme. Bij een testkruising kruisen we een  organisme met een onbekend genotype met een organisme dat een bekend homozygoot ressesief genotype heeft. Monohybriden zijn organismen die heterozygoot zijn voor een enkel kenmerk. Dihybriden zijn organismen die heterozygoot zijn voor twee kenmerken.

Wetten van de genetica

De splitsingswet bestaat uit vier regels.

Eerste regel: Verschillende versies van genen zijn verantwoordelijk voor variaties bij overgeërfde kenmerken.

Tweede regel: Voor elk kenmerk erft een organisme twee allelen, 1 van elke ouder.

Derde regel: Wanneer twee allelen op een locus verschillen dan is de dominante allel verantwoordelijk voor het fenotype. Het recessieve allel heeft geen effect op het fenotype.

Vierde regel:  Twee allelen voor erfelijke kenmerken splitsen tijdens het vormen van gameten.

Onafhankelijksheidwet

De wet die stelt dat elk paar allelen bij gameet vorming onafhankelijk splitst van elk ander paar.

Vermenigvuldigen regel

 

½* ½ = ¼

Kenmerken van organismen.


Elk organisme bezit kenmerken, deze kenmerken kunnen overgeërfd zijn van de ouders. Kenmerken zijn verschillend per individu omdat elk kenmerk bepaald wordt door zowel de vader als de moeder. Een aantal voorbeelden van kenmerken zijn haarkleur, haarvorm, oogkleur en de vorm van een je neus. De kenmerken worden bepaald door een locus, een locus is een specifiek plaats op een chromosoom die erfelijke informatie bevat. De chromosomen zelf zijn te vinden in de celkernen van het lichaam. Het genotype is de genetische vormgeving van een organisme. Fenotype beslaat de kenmerken van een organisme die waarneembaar zijn. Het fenotype wordt bepaald door het genotype en de omgeving van een organisme. Kwantitieve kenmerken zijn erfelijke kenmerken die continu over een bepaald bereik variëren in plaats van op een of-of manier.

Boeken